Puglia kennen de meeste mensen van de trulli, de olijfgaarden en de lange kust. Dat het ook een prima streek is om te wandelen, blijft vaak onder de radar. Zonde, want je ziet de regio pas echt als je de auto laat staan en een dag gaat lopen.
In het noorden ligt het Gargano, het schiereiland dat als een spoor uit de laars steekt. Hier lopen paden door de Foresta Umbra, een oud beukenbos dat op de werelderfgoedlijst staat, met daarna zicht op de Adriatische kust. Verderop landinwaarts ligt de Alta Murgia, een uitgestrekt kalkplateau waar het weids en stil is en waar op een heuvel het achthoekige Castel del Monte staat. In de Valle d’Itria slinger je tussen de olijfbomen van het ene witte dorp naar het andere, en langs de kust bij Brindisi ligt het natuurreservaat Torre Guaceto met rustige paden vlak langs zee.
Puglia laat zich zo van een heel andere kant zien dan vanaf het terras. Wie na deze streek breder wil kijken en meer ideeën zoekt voor wandelen in het buitenland, merkt dat de mooiste routes zelden in de reisgidsen staan en juist buiten de bekende bestemmingen liggen.
Terug naar Puglia zelf, want het seizoen bepaalt veel. De zomer is te heet om lange stukken te lopen, met temperaturen die vaak boven de dertig graden komen en weinig schaduw op het open plateau. April, mei, oktober en november zijn aangenamer, met stevige zon maar draaglijke warmte. Neem sowieso meer water mee dan je in Nederland gewend bent, en begin vroeg zodat je de heetste uren mijdt.
Een bijzonderheid van deze streek zijn de tratturi, de eeuwenoude drijfpaden waarover herders vroeger hun kuddes tussen de zomer- en winterweiden voerden. Delen ervan zijn nog begaanbaar en lopen kaarsrecht door het open land, ver van het verkeer. Combineer je wandeling gerust met de trein of een lokale bus, want het openbaar vervoer brengt je bij veel startpunten, zodat je niet steeds naar je auto hoeft terug te lopen.
In het voorjaar is de Alta Murgia bovendien op zijn mooist. Het kale plateau kleurt dan met wilde bloemen en orchideeën, en de vroege ochtend is er stil op de vogels na. Wie er een paar dagen blijft, kan overnachten in een masseria, een oude versterkte boerderij die vaak is omgebouwd tot logies. Je slaapt dan midden tussen de olijfgaarden, met ’s ochtends verse ricotta op tafel, en hebt de startpunten van de mooiste wandelingen letterlijk voor de deur.
De bewegwijzering is minder dicht dan je thuis gewend bent. Sommige routes zijn goed gemarkeerd, andere volg je beter met een kaart of een vooraf gedownloade route op je telefoon. Check bovendien of je onderweg ergens water kunt bijvullen, want dorpen liggen soms ver uit elkaar.
Wat je aan uitrusting meeneemt verschilt weinig van een dagtocht thuis: schoenen met grip, een dun laagje tegen de wind bovenop de kliffen, een hoed en zonnebrand. Plan halverwege een stop in een dorp, want de lokale keuken, met verse orecchiette en olijfolie van eigen grond, is een reden op zich om te blijven zitten.